VerDuS-kennis geland I: de factor samenwerking

Door Ilse Crooy m.m.v. Ymkje de Boer

Wetenschappelijke kennis die in nauwe samenwerking met praktijkpartijen tot stand komt, zodat zowel wetenschap als praktijk van die kennis kunnen profiteren. Dat is het centrale doel van de verschillende onderzoeksprogramma’s onder de VerDuS-vlag. Bij de nieuwste programma’s is nauwe samenwerking een vereiste; bij eerdere VerDuS-programma’s moest die nog groeien. In een serie van drie artikelen gaan we op zoek naar hoe de kennis uit met name die eerdere programma’s in samenwerking met de praktijk tot stand kwam en is geland.

We spraken met mensen uit verschillende projecten van drie VerDuS-programma's die in 2014 zijn afgerond: Kennis voor krachtige steden, Duurzame bereikbaarheid van de Randstad en Urban Regions in the Delta. In dit eerste artikel staat het thema samenwerking centraal. In de volgende twee zullen we nader ingaan op de rol van sleutelfiguren en op de invloed dat het onderwerp van je onderzoek heeft op de verspreiding van je kennis.

Samenwerking in onderzoeksprojecten kun je op verschillende manieren vormgeven. Bij Duurzame Bereikbaarheid van de Randstad zaten er in de onderzoeksteams zelf geen praktijkpartijen. Die waren wel betrokken via klankbordgroepen, als ‘research coach’ voor een AIO of als aandrager van een praktijkcasus waarin de ontwikkelde kennis kon worden getoetst. Bij Kennis voor Krachtige Steden en Urban Region in the Delta was vaak sprake van een meer verdergaande vorm van samenwerking: wetenschappers en praktijkpartijen zaten daar samen in een consortium, waarbinnen de experts uit de praktijk medeverantwoordelijk waren voor de onderzoeksvraagstelling en goede toepassingsmogelijkheden van de kennis in de praktijk.

Zo werd er binnen het project Integrale Planvorming en Ontwerp in de Delta (onderdeel van Urban Regions in the Delta) gewerkt met zes 'werkpakketten' binnen een consortium van onderzoekers en praktijkexperts. Eén pakket bestond uit de coördinatie en de andere pakketten hadden allemaal hun eigen inhoudelijke focus. Leo Pols (Planbureau voor de Leefomgeving) was als onderzoeker betrokken: "Het waren behoorlijk ‘zelfstandige pakketten’, waar je ook cultuurverschillen in zag. Het was lastig om er eenheid in te krijgen; het werkproces binnen het eigen pakket was leidend. Eigenlijk had onze projectsecretaris van DHV/Royal Haskoning te weinig uren om zo'n Poolse Landdag als wij waren goed te managen. Ik heb er een belangrijke les uit gehaald: als je disciplines bij elkaar zet om kennis te integreren en elkaar wederzijds te bevruchten, dan moet je heel veel tijd en energie en skills aan het leiden daarvan besteden. Iedereen heeft namelijk zijn eigen vocabulaire en beweegt in zijn eigen wereld. Het duurt even voordat je elkaar begrijpt."


Een deel van het consortium van het project Integrale Planvorming en Ontwerp in de de Delta

Confrontatie zoeken
Aan dat begrip moet je actief werken weet ook Constance Winnips. Zij was vanuit de Stadsregio (nu: Vervoersregio) Amsterdam betrokken bij verschillende VerDuS-onderzoeksprojecten over verkeer en vervoer: "Wij hebben wetenschappers en beleidsmakers met elkaar 'geconfronteerd'. Beide partijen werden uitgenodigd om te vertellen wat zij zelf deden, maar vooral ook om de ander te vertellen wat ze nodig hadden. En dat heeft tot uitwisseling en nuttige inzichten geleid, ze hebben elkaar echt verbeteringen en suggesties aangedragen."

Verschillende typen relaties en rollen
Binnen Kennis voor Krachtige Steden werkten de meeste projecten met een consortium. Waar partijen in zaten met ook weer ieder hun eigen netwerk. Dat leverde een bonte verzameling van relaties en rollen op. Marianne van Bochove, Erasmus Universiteit, was onderzoeker in een project over de inzet van vrijwilligers in onder meer de zorg: "De partners in het consortium hadden verschillende rollen. Sommigen van hen sprak ik alleen bij consortiumvergaderingen, maar anderen leverden bijvoorbeeld ook een casus aan of beoordeelden de geschiktheid van andere casussen. Dan hadden we ook nog allerlei partners die niet in het consortium zaten, maar wel in het veld betrokken waren. Van hen kwamen ook de meeste verzoeken om onze resultaten te presenteren."

Innoveren: monomaan of met zijn allen? 
Dat samenwerking nut heeft, zijn alle betrokkenen wel met elkaar eens. Maar zij plaatsen ook kanttekeningen: welk effect heeft het op het innoverend vermogen van wetenschap, als je als wetenschapper en beleidsmedewerker dicht naar elkaar toe kruipt? Erik Verhoef, hoogleraar vervoerseconomie aan de VU: "In het veld verkeer en vervoer heeft het maatschappelijk en wetenschappelijk nut om samen te werken. Wij werken in dit veld namelijk niet met natuurconstanten, maar met allerlei interacties van mensen, middelen en omstandigheden. In een TRANSUMO-programma waarbij ik betrokken was, werken we samen met overheden, bedrijven en wetenschappelijke instellingen. Je hebt elkaar nodig om innovatie op gang te brengen. Iedereen heeft een andere motivatie en andere belangen –  en die mogen zeer sterk van elkaar verschillen, maar niet strijdig zijn. Dan levert samenwerking veel op. Je moet het niet willen als je er al bij het opstellen van het onderzoeksvoorstel moeilijk uitkomt. Als iedereen er brood in ziet, dan lukt het je ook om het aan de buitenwereld te verkopen. Maar bij heel fundamenteel onderzoek in specifieke wetenschapsgebieden werkt een consortium niet. Dat moet je echt een beetje in een cocon doen." Hugo van der Steenhoven, zelfstandig adviseur duurzame mobiliteit en betrokken bij VerDuS-fietsonderzoek: "Soms wordt bepleit dat wetenschappers geen verbinding aan moeten gaan met de praktijk omdat ze dan niet tot goed onderzoek zouden komen. Dat gaat me te ver. Bij 'mijn' thema, fietsen, levert het heel veel op." 

Beleidsrelevant, maar niet beleidsbepalend
In hoeverre laat je als onderzoeker je koers afhangen van de samenwerking met beleidsmensen? Peter Pelzer, Universiteit Utrecht, promoveerde binnen VerDuS op een onderzoek naar ondersteunende plannings- en beslissingsinstrumenten voor ruimtelijk beleid. Volgens hem kom je alleen verder als je je een beetje isoleert van 'het beleidsgedoe', omdat vernieuwing juist ontstaat door wat afstand te houden: "Maar uit geïsoleerd onderzoek krijg je geen beleidsrelevant model. Als je dat wel wilt, moet je een manier zien te vinden met beleidsmensen samen te werken. Veel mobiliteitsonderzoek is een beetje monomaan. Onderzoekers kunnen heel ver doordenken, die zijn bezig met de details van een verkeersmodel dat zo valide mogelijk moet zijn. Maar op een gegeven moment haken de beleidsmensen dan af. Je moet daar een balans in vinden." Luca Bertolini, hoogleraar Planologie aan de UvA, ziet dat wetenschappelijke inzichten niet per se leiden tot concrete veranderingen in het beleid, maar beleidsmakers wel helpen om hun eigen praktijk in een ander licht te zien. Je kunt als wetenschappelijk onderzoeker hopen dat jouw werk anderen prikkelt en inspireert, maar het is naïef om te denken dat zonder meer wordt uitgevoerd wat je hebt bedacht. De praktijk is altijd complexer dan welk onderzoek dan ook."

Niet alleen uitwisselen, maar ook samen creëren
Lori Tavasszy, hoogleraar Goederenvervoer en Logistiek aan de TUD, gaat het liefst zo ver mogelijk in de samenwerking tussen wetenschap en praktijk. Hij was destijds voor een deel van zijn tijd werkzaam bij TNO, waar hij deze werkwijze gewend was. "Je hoeft je niet te beperken tot het doen van onderzoek, je kunt ook betrokken zijn bij het productieproces van degene die jouw kennis 'afneemt'. Zo hebben wij sámen met Rijkswaterstaat een roadmap gemaakt voor het onderzoek rond goederenvervoer. Op die manier combineer je de denkwereld van de wetenschapper met die van de praktijkmensen. Daardoor bedenk je ook voor iedere onderzoek van te voren hoe het landt in de praktijk. Alleen al in gesprek gaan met andere wetenschappers en praktijkmensen heeft een convergerende werking; je gaat automatisch elkaars onderzoek gebruiken. Ik wilde echt de praktijk als uitgangspunt nemen, in plaats van maar gaan onderzoeken en dan eens kijken of de praktijk er iets mee kon." 

Communityvorming en sociale media
Binnen de Fietscommunity van VerDuS en andere partners waarvan Hugo van der Steenhoven één van de drijvende krachten is, staat samenwerking tussen wetenschap en praktijk centraal. “Eén van de redenen waarom die community is opgericht, is om uit te vinden welk wetenschappelijk onderzoek naar fietsen er eigenlijk allemaal al gedaan wordt en waar nog witte vlekken zitten. Omdat er ten tijde van de oprichting nog nauwelijks onderzoek liep, waren juist onderzoeken en inzichten uit de praktijk zeer welkom. Hoe gedragen fietsers zich, welke rol speelt de fiets in het mobiliteitssysteem? Wat zijn de fietscijfers? In discussies over mobiliteit konden stellingen over de fiets voorheen nooit onderbouwd worden, omdat er eenvoudigweg geen data over waren. De fiets kwam ook nooit in de transportmodellen terecht. Die lacune wilden we opvullen. We hebben daarom een matrix gemaakt van alle onderzoeken op dit gebied, zodat we voor vijf domeinen konden bekijken welke onderzoeken er bestonden, en welke er nog misten. Daarbij hebben we bewust zowel praktijkonderzoeken als wetenschappelijke onderzoeken opgenomen. We hebben een paar zeer druk bezochte bijeenkomsten per jaar, met een enorm divers gezelschap. Onderzoeks- en adviesbureaus, ambtenaren, zzp'ers, vrijwilligers, onderzoekers, het is een bonte verzameling. Omdat we zo praktijkgericht zijn, moeten we soms een beetje uitkijken dat we geen club worden die fietsen stimuleert. We willen ons blijven richten op de combinatie onderzoek en praktijk." Naast de communityvorming is de rol van sociale media binnen de fietsonderzoekswereld opmerkelijk. VerDuS-onderzoeker en ‘fietsprofessor’ Marco te Brömmelstroet: "We hebben de laatste jaren stevig gebruik gemaakt van Twitter, hoewel we met dat account vooral ook veel niet-VerDuS-kennis deelden. Maar het account kent 45.000 volgers in vele verschillende landen. Zo bereikt onze kennis verschillende lagen van beleid, wetenschap en praktijk. En dat leidde tot grote naamsbekendheid van ons instituut en ons werk."


Hugo van der Steenhoven in actie bij de Fietscommunity

Een kans, geen garantie
Samenwerken met praktijkpartners is niet automatisch een sleutel tot het laten landen van kennis. Marco te Brömmelstroet had bijvoorbeeld meer verwacht van samenwerkingspartners als TNO in een planologisch project waarin hij postdoc was. "Er zou bijvoorbeeld een intern overleg over onze resultaten komen, maar dat ging niet door. Er is vanuit het project uiteindelijk weinig gedaan aan verbinding met praktijkpartijen. Er leek bij hen ook niet veel belangstelling voor te bestaan." Samenwerking op zichzelf leidt dus niet altijd tot een echte uitwisseling of praktische toepassing. Of dat lukt, is afhankelijk van specifieke omstandigheden en van de partners die je kiest. Peter Pelzer: "Wie je bijvoorbeeld bij een workshop vraagt, hangt af van wat je ermee wilt bereiken. Als je je denken een beetje wilt openbreken, moet je er misschien kunstenaars bij halen."
Samenwerken een succes maken kan soms ook door een eenvoudige fysieke ingreep. Hans Sakkers, gemeente Utrecht, betrokken bij een project over mensenrechtensteden: "Esther van den Berg zat tijdens haar onderzoek deels op onze afdeling. Daardoor hadden we dus iemand in huis die met ons structureel meekeek en input gaf. We hadden zo dus sparringpartners die rondliepen en op een gedegen manier het verhaal van de Utrechtse aanpak opschreven en daar over reflecteerden."

Meerwaarde!
Het VerDuS-uitgangspunt dat wetenschap en praktijk samen tot de beste oplossingen komen, wordt door de meeste geïnterviewden volmondig onderschreven. Jan van de Waard van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu): "Als je elkaar een beetje tegemoet komt, kan dat veel waardevols opleveren. Ik heb in bijvoorbeeld het programma Duurzame Bereikbaarheid van de Randstad, waar ik in de programmacommissie zat die het geheel aanstuurde, echt wel ideeën en producten gezien die zonder die samenwerking verborgen zouden zijn gebleven. En in programma's die op dat programma volgden, komen er steeds meer maatschappelijke organisaties bij die samenwerkingsverbanden. Dat voorkomt een houding van 'het is af, hup over de schutting ermee'. Dan kunnen mensen er echt mee aan de slag." Joost van Faassen, vanuit de gemeente Haarlemmermeer betrokken bij Better Airport Regions bevestigt dit: "Ik werk graag met wetenschappelijke instituten, vanwege de hoeveelheid informatie waarover zij beschikken en hun ongelooflijk actuele kennis. Het wordt enorm onderschat hoe de wetenschap kan bijdragen aan actuele vraagstukken! Soms kan stroperigheid bij de gemeente leiden tot frustratie bij de onderzoekers, dat weet ik. Maar ik juich toegepaste wetenschap toe en vind dat meer partijen er gebruik van moeten maken."

Meer informatie over de onderzoeksresultaten van de genoemde programma’s:

 
DEEL: 

Agenda

Verbindende woorden

Volg ons op twitter